Skip to content

banknotes · Orbis Magazine · Nederlands

Noodgeld in Duitsland: Geschiedenis en Typologie

Duits noodgeld (Notgeld) ontstond tijdens de economische ontwrichting van de Eerste Wereldoorlog en de Weimar-hyperinflatie als lokaal substituut voor regulier kleingeld. Deze monografie behandelt de typologieën, de uitzonderlijke materiële dragers en het verzamelwezen rondom deze historische numismatische stukken.

4 October 202610 min. leestijdOnderwerp doorzoeken: “noodgeld duitsland”

50 pfennig notgeld uit Duitsland, Höhr, Coblenz, 1921
Rijksmuseum, Amsterdam — Public Domain (Rijksmuseum)

Belangrijkste inzichten

  • Duits noodgeld werd tussen circa 1914 en 1923 uitgegeven door steden, gemeenten en bedrijven om een acuut gebrek aan officieel kleingeld op te vangen [R2, S8].
  • Het betrof formeel geen wettig betaalmiddel van de centrale staat, maar lokaal aanvaarde en door autoriteiten gedoogde of erkende betaalmiddelen [S5, S8].
  • Naast papier en metaal werd Notgeld geproduceerd uit uitzonderlijke materialen zoals zijde, linnen, leer, porselein, hout, steenkool, zwavel en hergebruikte speelkaarten [8].
  • Handelaar Joseph Lieban uit Den Haag speelde een cruciale rol in het internationaal populariseren van Notgeld via verzamelalbums [7].
  • Vrijwel alle uitgiftes waren gebonden aan een strikte vervaldatum, hetzij afgedrukt op het biljet, hetzij gepubliceerd in lokale dagbladen [8].

Wat is Duits noodgeld en waarom ontstond het?

Duits noodgeld, internationaal bekend onder de Duitse term *Notgeld*, is een verzamelnaam voor noodbetaalmiddelen die tussen 1914 en 1923 in Duitsland werden geproduceerd om acute tekorten aan officieel kleingeld op te vangen [R2, S8]. Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog in augustus 1914 verdwenen edelmetalen en gangbare pasmunten op grote schaal uit de roulatie doordat burgers munten begonnen op te potten en metalen werden opgeëist voor de oorlogsindustrie [S5, S8]. Om de dagelijkse handel en het betalingsverkeer niet volledig te laten stilvallen, sloten overheden en gemeentebesturen noodgedwongen overeenkomsten waardoor lokale instanties de bevoegdheid kregen eigen ruilmiddelen uit te brengen [5].

Notgeld werd primair uitgevaardigd door lagere overheden zoals stadsbesturen, gemeenten en lokale spaarbanken (*Sparkassen*), maar ook door private ondernemingen, industriële fabrieken en staatsbedrijven [8]. Dit geld functioneerde als een door de gemeenschap geaccepteerde belofte tot latere inwisseling [8]. Hoewel Notgeld geen wettig betaalmiddel was dat door de centrale rijksregering werd uitgegeven, werd het wel officieel erkend en gedoogd binnen de regio van uitgifte om economische verlamming af te wenden [S5, S8].

Het fenomeen ontwikkelde zich van puur functionele nooduitgiftes aan het front en in de steden tot een grootschalig maatschappelijk verschijnsel [S7, S8]. Waar vroege emissies vaak sobere noodbiljetten en kleingeldvervangers betroffen, zoals gemeentelijke coupons van 50 pfennig (see: 50 pfennig notgeld uit Duitsland, Höhr, Coblenz, 1921), transformeerde de productie na de oorlog deels in artistiek vormgegeven verzamelobjecten en later in astronomische denominaties gedurende de hyperinflatie van de Weimarrepubliek [S7, S8].

Welke historische fasen doorliep het Duitse Notgeld?

De uitgifte van noodgeld in Duitsland laat zich onderverdelen in verschillende chronologische perioden, waarin het karakter van het geld telkens drastisch veranderde onder invloed van politieke en monetaire verschuivingen [R2, S8]. De eerste fase begon met het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog in 1914, gekenmerkt door een schreeuwend gebrek aan koper-, nikkel- en zilvermunten [8]. Lokale besturen zagen zich genoodzaakt bonnen van geringe nominale waarde (vaak uitgedrukt in pfennigen) te drukken op eenvoudig papier om wisselgeld te kunnen bieden [S5, S8].

Tussen 1919 en 1922 voltrok zich een opmerkelijke overgang: de zogenaamde *Serienscheine* deden hun intrede [7]. Gemeenten ontdekten dat hun kleurrijke en lokaal-historisch geïllustreerde noodgeldbiljetten nauwelijks nog ter inwisseling werden aangeboden, maar direct door verzamelaars uit de omloop werden gehaald [S7, S8]. Dit bood overheden een lucratieve inkomstenbron. Dergelijke uitgiftes hadden nominale waarden die opliepen tot circa één mark en stonden bol van folklore, stadsgezichten, spotprenten en gedichten [7].

De laatste en meest dramatische fase vond plaats in 1922 en 1923, tijdens de ongekende Duitse hyperinflatie [R2, S8]. De geldontwaarding holde de koopkracht zo snel uit dat de centrale Reichsbank de vraag naar bankbiljetten technisch niet meer kon bijbenen. Steden, provincies en fabrieken sprongen opnieuw bij met noodbiljetten, maar nu met nominale waarden die opliepen van duizenden en miljoenen naar miljarden en biljoenen marken [8]. Pas met de invoering van de Rentenmark en het beëindigen van de inflatie eind 1923 kwam er definitief een einde aan het fenomeen Notgeld als algemeen circulatiemiddel (see: German Notgeld).

  • 1914–1918: Oorlogsnoodgeld (*Kriegsnotgeld*), puur functioneel ter bestrijding van het gebrek aan kleingeld en metaal [R2, S8].
  • 1919–1922: Verzamelaarsseries (*Serienscheine*), rijkelijk geïllustreerd met lokale folklore en nauwelijks bedoeld voor werkelijke circulatie [7].
  • 1922–1923: Inflatie-noodgeld (*Inflationsnotgeld*), gekenmerkt door haastig gedrukte astronomische nominale waarden tot in de biljoenen marken [8].
Orbis catalogue entries matching each research phrase

Live counts from the Orbis catalogue search at the time of writing.

Welke materiële dragers werden gebruikt voor Duits noodgeld?

Hoewel papier veruit het meest gebruikte materiaal was voor Notgeld [8], dwong de aanhoudende schaarste aan grondstoffen uitgevers tot grote vindingrijkheid [S5, S8]. Naast gangbaar papiergeld en noodmunten uit onedele metalen als zink en ijzer, experimenteerden lokale overheden en fabrieken met een breed scala aan alternatieve dragers [S5, S8].

In diverse regio's werden biljetten gedrukt op textiel, waaronder geweven zijde en linnen, maar ook op bewerkt leer of dunne houten spaanders [8]. De beroemde porseleinfabriek in Meissen vervaardigde keramische noodmunten uit bruin Böttger-steengoed en wit porselein, vaak voorzien van vergulde randen. Daarnaast werd geëxperimenteerd met aluminiumfolie, geperste steenkool en zelfs elementaire zwavel [8].

Een buitengewoon zeldzame en curieuze categorie binnen het Duitse noodgeld zijn de zogeheten *Spielkarten*: noodbiljetten die wegens het volstrekte ontbreken van blanco papier werden gedrukt op de achterzijde van hergebruikte speelkaarten [8]. Deze stukken weerspiegelen de uiterste noodgrepen van lokale drukkers tijdens crisissituaties en worden binnen de numismatiek als bijzondere getuigenissen van materiaaltekorten beschouwd [8].

Materiële dragers van Duits noodgeld (Notgeld)
MateriaalPrimaire ToepassingKenmerken en Achtergrond
Papier en KartonBankbiljetten, coupons, SerienscheineVeruit de meest voorkomende drager; varieert van eenvoudig krantenpapier tot luxe kunstdruk [S5, S8].
Metaal (zink, ijzer, aluminium)Noodmunten (kleingeldvervangers)Vervanging van koper-, nikkel- en zilvermunten tijdens oorlogs- en naoorlogse tekorten [S5, S8].
Porselein en SteengoedNoodmunten en herdenkingspenningenVervaardigd te Meissen; zowel functioneel als representatief bedoeld [8].
Textiel (zijde en linnen)Stoffen noodbiljetten (Stoffgeld)Regionale uitgiftes ontworpen om extreme papierschaarste te omzeilen of als luxe verzamelobject [8].
Leer en HoutNoodmunten en fichesToegepast door lokale gemeenten en bedrijven bij gebrek aan gangbare grondstoffen [8].
Speelkaarten (Spielkarten)PapiergeldsubstitutenHergebruikte speelkaarten met bedrukte achterzijden; uiterst zeldzaam [8].
Zwavel en SteenkoolGeperste noodpenningenZeer zeldzame experimentele dragers uit industriële kring [8].

Juridische geldigheid en vervaldata

Notgeld was nimmer een door de staat uitgevaardigd wettig betaalmiddel, maar een lokaal gedoogd substituut [S5, S8]. Vrijwel alle emissies bevatten een expliciete vervaldatum waarop het biljet zijn inwisselbaarheid verloor [8]. Bij stukken zonder gedrukte datum werd het verstrijken van de geldigheid aangekondigd via lokale dagbladen of openbare mededelingen ter plaatse [8].

Hoe ontwikkelde de verzamelmarkt zich door Joseph Lieban?

Het systematisch verzamelen van Duits noodgeld groeide al tijdens de uitgifteperiode uit tot een internationale rage, mede gestuurd door gespecialiseerde handelaren [7]. De meest prominente figuur op dit toneel was Joseph Lieban (geboren te Krakau op 13 augustus 1905), die vanuit zijn kantoor aan de Haagschestraat 3 in Den Haag de markt wist te domineren [7]. Tussen 1914 en 1940 profileerde hij zich als de officiële handelaar van Duits noodgeld [7].

Lieban opereerde onder handelsnamen als *Deutschland Zentraler Notgeld Vertrieb* en *Central depot of emergency-money* [7]. Hij kocht massaal restanten en complete oplagen op van failliete Duitse drukkerijen, inclusief volledige, onversneden drukvellen [7]. Om aan de enorme vraag in Nederland, België en de Verenigde Staten te voldoen, stelde hij thematische verzamelalbums samen [7].

Deze Lieban-albums werden geleverd in karakteristieke goudgeel gekleurde dozen van ruw karton met bijbehorende deksel [7]. Het assortiment varieerde van eenvoudige, laagdrempelige instapalbums tot luxueus uitgevoerde cassettebanden [7]. De inhoud bestond hoofdzakelijk uit Serienscheine met waarden tot 1 mark en inflatiebiljetten van steden, banken en fabrieken, terwijl de luxere varianten tevens noodmunten en noodpostzegels bevatten [7].

Let op restanten en overdrukken uit de handel

Omdat handelaren zoals Lieban complete restvoorraden en onversneden vellen van noodgelduitgiftes opkochten na de ontwaarding van de mark [7], zijn veel biljetten op de markt terechtgekomen die nooit daadwerkelijk in omloop zijn geweest. Deze exemplaren bevinden zich vaak in smetteloze staat, maar moeten historisch worden onderscheiden van stukken met daadwerkelijke circulatiesporen.

Confidence ratings of the catalogue entries featured here

How well documented the linked entries are.

Hoe ontcijfert en catalogiseert men inscripties op Notgeld?

Het correct determineren van Duits noodgeld vereist een methodische blik op de opschriften, heraldiek en geografische aanduidingen op het object. Veel biljetten, zoals een representatief stuk van 50 pfennig uit 1921 uit Höhr (nabij Coblenz) (see: 50 pfennig notgeld uit Duitsland, Höhr, Coblenz, 1921), vermelden duidelijk de plaats van uitgifte, het jaartal en de uitgevende instantie, zoals de *Gemeinde* of *Stadtsparkasse* [R1, S8].

Plaatsnamen kunnen echter tot verwarring leiden doordat Duitse gemeenten in de loop der tijd administratieve herindelingen en naamsveranderingen hebben ondergaan [6]. Een treffend voorbeeld is de stad Mönchengladbach: historisch aangeduid als Gladbach, nam de stad in 1888 de naam München-Gladbach aan om verwarring met Bergisch Gladbach te voorkomen [6]. In 1933 werd het koppelteken weggelaten, in 1950 gewijzigd naar Mönchen Gladbach en pas in 1960 ontstond de huidige schrijfwijze [6]. Noodgelduitgiftes uit de vroege jaren twintig dragen daardoor de destijds officiële benaming *München-Gladbach* [6].

Naast civiel gemeentegeld bestaan er ook gespecialiseerde militaire en institutionele nooduitgiftes (see: Biljet van tien reichspfennig, kampgeld). Zo bewaart het Rijksmuseum een biljet van tien reichspfennig aan zogeheten kampgeld uit de periode 1944–1945, vervaardigd onder autoriteit van de Wehrmacht en ondertekend door 'Der Chef des Oberkommandos der Wehrmacht' (see: Biljet van tien reichspfennig, kampgeld). Dergelijke stukken vallen onder een geheel eigen typologie van intern militair noodgeld en vereisen specifieke catalogisering los van het klassieke Weimar-notgeld [R7, S8].

Vergelijkende typologie van gedocumenteerde Duitse noodbiljetten
Type / OmschrijvingDateringUitgevende Instantie / AutoriteitMateriële Vorm / Status
50 pfennig notgeld Höhr (see: 50 pfennig notgeld uit Duitsland, Höhr, Coblenz, 1921)1921Gemeente Höhr (bij Coblenz)Lokaal noodbiljet, Rijksmuseum object 3 (see: 50 pfennig notgeld uit Duitsland, Höhr, Coblenz, 1921).
Algemeen Notgeld (oorlog/inflatie) (see: German Notgeld)ca. 1914–1923Gemeenten, nutsbedrijven, ondernemingenKleingeld- en inflatiesubstituut [R2, S8].
Serienscheine [7]ca. 1919–1922Steden en gemeentelijke spaarbankenFantasiebiljetten voor verzamelaars, max. 1 mark [7].
Kampgeld (10 reichspfennig) (see: Biljet van tien reichspfennig, kampgeld)1944–1945Wehrmacht ('Der Chef des Oberkommandos der Wehrmacht')Militair kampbiljet, Rijksmuseum object NG-1983-10 (see: Biljet van tien reichspfennig, kampgeld).

Onderzoek naar historische plaatsnamen

Stuit u bij de determinatie op onbekende plaatsnamen, controleer dan historische naamvarianten en Pruisische bestuurlijke indelingen. Zoals de naamsontwikkeling van Mönchengladbach aantoont [6], kunnen administratieve spellingen tussen 1888 en heden aanzienlijk verschillen.

Hoe bewaart en conserveert men kwetsbaar noodgeld?

Het behoud van Duits noodgeld stelt verzamelaars voor specifieke uitdagingen vanwege de enorme variëteit aan gebruikte materialen en de vaak matige industriële kwaliteit van het oorlogspapier [S5, S8]. Vroeg 20e-eeuws papier bevat regelmatig een hoog lignine- en zuurgehalte, waardoor het bij blootstelling aan licht en zuurstof snel vergeelt en broos wordt. Noodbiljetten dienen daarom te worden opgeslagen in zuurvrije en ligninevrije papieren enveloppen of hoezen van inert plastic, zoals biaxiaal georiënteerd polyester (Mylar) of polypropyleen.

PVC-houdende plastic insteekhoezen moeten te allen tijde worden vermeden. De weekmakers in PVC kunnen migreren naar het oppervlak van het biljet, wat leidt tot onomkeerbare chemische aantasting van drukinkten en papiervezels. Biljetten van textiel (zoals zijde of linnen) vereisen bovendien een vochtgecontroleerde omgeving (een relatieve luchtvochtigheid rond 45–55%) om schimmelvorming en vezelafbraak tegen te gaan [8].

Voor driedimensionale noodobjecten, zoals keramische munten uit porselein of geperste steenkoolpenningen [8], zijn traditionele munthouders ongeschikt. Porseleinen stukken zijn extreem breukgevoelig en moeten worden bewaard in met zuurvrij vilt beklede compartimenten of harde capsules die mechanische schokken opvangen. Hanteer papieren biljetten bij voorkeur met schone handen of katoenen handschoenen om overdracht van huidvetten te voorkomen.

  • Gebruik uitsluitend inerte, weekmakervrije bewaarmiddelen (bij voorkeur Mylar of zuurvrij papier).
  • Vermijd direct zonlicht en UV-straling om verbleking van de vaak gevoelige steendrukinkten te voorkomen.
  • Houd de relatieve luchtvochtigheid stabiel ter bescherming van bijzondere dragers zoals zijde, linnen en leer [8].
  • Bescherm breekbare materialen zoals porselein en geperste kool tegen druk en stoten met individuele capsules [8].

Hoe doet men verantwoord onderzoek naar de waarde van Notgeld?

Binnen de numismatiek bestaat er geen vaste standaardwaarde voor Duits noodgeld; de verzamelwaarde is afhankelijk van factoren zoals zeldzaamheid, historische context, materiaal, drukgang en bovenal de fysieke conditie van het stuk. Omdat Notgeld destijds in honderden miljoenen exemplaren is vervaardigd en grote partijen Serienscheine en inflatiegeld rechtstreeks in verzamelaarsladen zijn verdwenen [S7, S8], zijn veel courante biljetten nog altijd in overvloed verkrijgbaar.

Om een object op verantwoorde wijze te evalueren, dient de onderzoeker gespecialiseerde standaardcatalogi te raadplegen (zoals de naslagwerken van Manfred Mehl of de historische catalogi voor Duitse bankbiljetten). Deze catalogi documenteren varianten in watermerken, handtekeningen, stempels en drukdata. Vergelijkingsmateriaal kan tevens worden gevonden in openbare museumcollecties, zoals die van het Rijksmuseum in Amsterdam [R1, R7] of online archieven zoals Wikimedia Commons [4].

Daarnaast kan de aanwezigheid van een originele verzamelcontext van belang zijn. Complete sets in historische verzamelmappen, zoals de door Joseph Lieban uitgegeven albums in hun goudgele dozen [7], vertegenwoordigen een eigen cultuurhistorische waarde binnen de geschiedenis van het verzamelwezen. Raadpleeg bij zeldzame dragers (zoals speelkaarten, leer of porselein [8]) altijd gerealiseerde resultaten van gespecialiseerde veilinghuizen in plaats van vraagprijzen op internetplatforms.

Genoemde catalogusobjecten

Veelgestelde vragen

Geraadpleegde bronnen

  1. [1] Cleveland Museum of Art Open Access Collection — Cleveland Museum of Art · Tier 1
  2. [2] Rijksmuseum Collection (Amsterdam) — Rijksmuseum · Tier 1
  3. [3] WatchMuseum.org object collection — WatchMuseum.org · Tier 1
  4. [4] Wikimedia Commons media repository — Wikimedia Foundation · Tier 3
  5. [5] Noodgeld (Wikipedia) — Wikipedia
  6. [6] Mönchengladbach (Wikipedia) — Wikipedia
  7. [7] Joseph Lieban (Wikipedia) — Wikipedia
  8. [8] Notgeld (Wikipedia) — Wikipedia
  9. [9] Hargelsberg (Wikipedia) — Wikipedia

Zie ook: identification guides · how we rank sources · methodology